Er kwam een grote man, eind in de tachtig, wankel ter been de viszaak binnen. Met een stem als een bulderende herfststorm bestelde hij een haring met ui maar zonder zuur. ‘Er is al genoeg zuur in de wereld,’ mompelde hij in de ruimte. Tevens bestelde hij een doosje Chardonnay en greep ondertussen een fles witte wijn van de toonbank met de woorden:’ Die ken ik nog niet.’
Hij keerde zich wankelend om vloekte godverdomme en keek mij aan. Ik gezeten op het bankje naast het fonteintje. In zijn blik zag ik een hulpvraag: ‘Wilt u opstaan en mij uw zitplaats aanbieden?’ Mijn vriend en compagnon die naast mij zat, stond op. Ik schoof opzij en de man nam naast mij plaats.
‘Godverdomme,’ zei hij, ‘ Ik zou zo dood neervallen.’ Waarschijnlijk omdat hij met dat grote lijf dreigde om te vallen. De orthodox christelijke visboer en zijn zwangere dochter beten zich met een strak gezicht op de lippen. ‘Ik ben dementerend,’ verontschuldigde hij zich. Met die krachtige stem leek mij dat vrijwel onmogelijk dus ik begon te lachen. ‘Ik zeg dat ik dement ben en u begint te lachen?’ ‘Ja’, zei ik, ‘ik geloof er niks van.’ ‘Over geloof hoeft u tegen mij niks te zeggen, ik ben dominee,’ ging hij verder. ‘En ik ben dagelijks op de concertzender op de radio tussen 1 en 10 over 1 te beluisteren. ‘Ik ben mijn leven lang al verbonden aan de VPRO.’
‘En u bent dominee?’ vroeg ik. ‘Ja, eerst doopsgezind en daarna remonstrants.’ ‘En u vloekt. U bent de vloekende dominee.’ ‘ Ja, zo is het,’ zei hij. Daarna hadden wij gezeten op dat bankje in de viszaak een heel open gesprek over Bijbelse en religieuze zaken. Het verraste mij niet dat hij niet volgens de strakke leer reageerde op mijn vragen.
Rik Bronkhorst.