Martin was een tengere man van in de veertig, alleenstaand, met pientere oogjes die vanwege zijn Joodse roots niet veel vertrouwen in de medemens had. Hij had iets onrustigs over zich, of ze hem altijd achter de vodden zaten. Schichtig zelfs. Hij kwam zo nu en dan even de oude kroeg op de hoek van de winkelstraat en het marktplein binnen, dronk nooit teveel en bleef ook niet lang hangen. Hij zocht mij altijd op, net of hij zich bij mij wel veilig voelde. Ik voelde zijn onrust en waakzaamheid altijd. Maar ook ging er een zeker gevaar van hem uit. Hoe tenger Martin ook was, er viel niet met hem te sollen. Toch vond ik hem aardig. Hij sprak vrijuit over zijn hobby’s, pistoolschieten en dieren met name vogels en honden. Martin was geen mensenmens maar een echte dierenvriend die later een vogelopvang aan de rand van de Veluwezoom heeft opgericht. Daar was hij op zijn plaats.
Op een avond kwam Martin net terug van de schietvereniging. Hij legde zijn handvuurwapen voor zich op de bar, terwijl hij naast mij plaatsnam. We kregen zo doende een gesprek over schieten, scherpschutters et cetera. ‘Ik ben een precisieschutter,’ zei hij en richtte zijn pistool op de gloeilampjes van de kroonluchter in de zaak. Met een oog dicht richtte hij en schoot. Kaarslampje kapot en een tweede ging kapot. Martin had mij overtuigd, hij was een kampioen scherpschieten uit de vuist. Tevens had hij zijn punt gemaakt dat er met hem echt niet te sollen viel. Hij dronk zijn glas leeg en zei ten afscheid:’ Als je het leuk vindt zou ik het op prijs stellen als je een keertje bij mij een kopje thee komt drinken, dan kun je mijn honden zien.’ We spraken af dat later in de week op een middag te doen.
Zo gezegd zo gedaan, ik fietste op een zonnige namiddag door de wijk Jeruzalem en Jericho van de oude provinciestad op zoek naar zijn adres. Nu ben ik geen hondenliefhebber, eerder wat bangelijk, dus ik was al blij dat er geen hond begon te blaffen. In de woonkamer aangekomen zag ik tot mijn opluchting dat die leeg was, geen hond te bekennen. ‘Leuk dat je er bent, wil je een kopje thee?’ vroeg Martin. Ik knikte, graag. Het duurde even en ik keek de eenvoudige woonkamer door. Martin zette een ouderwets kopje met PickWick thee voor mij op de kloostertafel. ‘ Koekje?’ vroeg hij allervriendelijks. Ik kreeg een Jan Hagel op het schoteltje bij mijn thee. We spraken wat over koetjes en kalfjes totdat Martin plotseling zei: ‘ Nou moet je niet meer bewegen, zelfs je lepeltje niet pakken om de suiker door je thee te roeren.’ Hij liep naar de keukendeur en daar stormde een Riesenschnautzer vrouwtje de woonkamer binnen recht op mij af.
Martin gaf een commando en de hond ging schuin voor mij liggen, kop alert omhoog geheven. ‘Niet bewegen,’ zei Martin nog een keer en ten overvloede want ik bevroor. ‘Ze heeft een nest jongen, dus ze is erg scherp,’ voegde hij daar nog aan toe. Dat had hij mij geen tweede keer hoeven zeggen, als een standbeeld zat ik daar en durfde niets te zeggen. Zo heeft hij mij daar een half uur laten zitten. Zwijgend zaten wij daar met ons drieën, totdat ik voorzichtig, zacht hem vroeg de hond weer naar de keuken te doen verdwijnen. Beste lezer, u zult begrijpen dat ik daarna vrij snel het huis verlaten heb en ook nooit meer teruggekeerd ben.
Rik Bronkhorst.